Categoriearchief: Jaarwiel Winter

De 42-vragen diagnose van Ma’at

Zie je al die kleine poppetjes met een veertje op hun hoofd? Dat zijn de 42 Vraagstellers.

In Egypte had je een systeem waarbij mensen niet werden bezwaard met de emotionele chantage van schuld en schaamte en beschuldiging, zoals in Europa.

Je schuldig en zwaar voelen was JUIST niet de bedoeling!
Integendeel. Om in de hemel te komen was het de bedoeling dat je hart zo licht was als een veertje. Dat je door het leven vlinderde in verrukking en genoegen en overal een feestje van maakte.

Ma’at, de kosmische orde, werd dan ook weergegeven als een godin met een lichte struisvogelveer op haar hoofd. En altijd als je in haar domein belandt, krijg je dat heerlijke opgeluchte gevoel. Want dat is ze: opluchting.

Om te zorgen dat jebij al dat vlinderen wel een beetje binnen de grenzen bleef, dus om bijvoorbeeld de maatschappij te beschermen tegen al te egoistisch gedoe, werkten ze niet met schuld maar met grenzen. Duidelijke grenzen.

De 42 diagnostische vragen zijn dus gewoon dingen die je niet moest doen, hetzij omdat je anderen daarmee beschadigde, hetzij omdat je daarmee hinderlijke kolken maakte in het Veld. Want ook de natuur is levend en mishandelen van de natuur heeft een weerslag.

Zo had je deze 42 Vraagstellers, die een serie vragen hadden als een soort diagnose om voor jezelf (niet voor anderen, voor jezelf!) te kijken of je nog goed spoorde.

Vanuit onze zwaar emotioneel gechangeerde calvinistische cultuur is het moeilijk om deze vragen met een licht hart te lezen. Maar als je het wel doet, heb je er veel aan.
Het belangrijkste is wel, dat je dus licht van gemoed kunt blijven

Hier zijn de vragen. Ze komen van de beroemde Papyrus van Ani. Het werk dateert uit de 19e dynastie van het Nieuwe Rijk uit het oude Egypte (ca. 1250 v.Chr).

Veel is ‘lost in translation’ . je kunt dat zien aan herhalingen e.d. . Niettemin is dit een goede diagnostische tool waarmee we in de Tempel graag werken, voor een lichter en rijker leven.

  1. Ik heb geen zonde begaan.
  2. Ik heb geen beroving met geweld gepleegd.
  3. Ik heb niet gestolen.
  4. Ik heb geen mannen en vrouwen gedood.
  5. Ik heb geen graan gestolen.
  6. Ik heb geen offergaven gestolen.
  7. Ik heb de eigendommen van de goden niet gestolen.
  8. Ik heb geen leugens geuit.
  9. Ik heb geen eten meegenomen.
  10. Ik heb geen vloeken uitgesproken.
  11. Ik heb geen overspel gepleegd.
  12. Ik heb niemand laten huilen.
  13. Ik niet nutteloos negatieve emoties gevoeld.
  14. Ik heb niemand aangevallen.
  15. Ik ben geen bedrieger.
  16. Ik heb geen bouwland gestolen.
  17. Ik ben geen afluisteraar geweest.
  18. Ik heb niemand belasterd.
  19. Ik ben niet zomaar boos geweest.
  20. Ik heb de vrouw van geen enkele man belachelijk gemaakt.
  21. Ik heb de vrouw van geen enkele man beledigd.
  22. Ik heb mezelf niet verontreinigd.
  23. Ik heb niemand geterroriseerd.
  24. Ik heb de wet niet overtreden.
  25. Ik ben niet boos geweest.
  26. Ik heb mijn oren niet gesloten voor de woorden van de waarheid.
  27. Ik heb niet gelasterd.
  28. Ik ben geen gewelddadig persoon.
  29. Ik ben geen aanjager van strijd (of een verstoorder van de vrede).
  30. Ik heb niet met onnodige haast gehandeld (of geoordeeld).
  31. Ik heb niet met andermans zaken bemoeid.
  32. Ik heb mijn woorden niet vermenigvuldigd tijdens het spreken.
  33. Ik heb niemand onrecht aangedaan, ik heb geen kwaad gedaan.
  34. Ik heb geen tovenarij tegen de koning gepleegd (of laster tegen de koning).
  35. Ik heb de waterstroom nooit gestopt.
  36. Ik heb mijn stem nooit verheven.
  37. Ik heb God niet vervloekt of gelasterd.
  38. Ik heb niet met kwade woede gehandeld.
  39. Ik heb het brood van de goden niet gestolen.
  40. Ik heb de khenfu-cakes niet weggenomen van de geesten van de doden.
  41. Ik heb het brood van een kind niet afgepakt, noch de god van mijn stad met minachting behandeld.
  42. Ik heb het vee van de goden niet geslacht

Meer weten over leven met een licht hart in harmonie met het grote geheel? Kijk bij Gratis Moois. Krijg je een fijn cadeautje.

Tarot Adventkalender

De Honeybees maken er een adventsfeestje van met hun eigen Tarot troeven

Advent, die heel donkere periode in het jaar, als alles in ons reikhalzend uitziet naar het Licht.

Traditioneel is dit een periode waarin je wat meer in je verbeelding leeft. De tijd van mooie verhalen bij het vuur. Een tijd van introspectie en van inwijding.

In deze adventskalender kun je dit pad meebeleven. Iedere dag kun je een vakje openen en krijg je de wijsheid van de volgende Tarot troef, van de Dwaas naar de Wereld.

De Tarot bestaat uit een serie kaarten die een inwijdingsweg vertegenwoordigen. Vooral de troeven van de Tarot weerspiegelen stap voor stap de weg van de mensen op aarde, waar we onze goddelijke aard en wezen stap voor stap leren kennen, met vallen en opstaan.

De Honeybees

De tarot is door Rhea Debora weergegeven vanuit de ogen van de bijen, De Honeybees. Debora is imker en haar naam betekent honingbij. Honingbij is tevens een oude titel voor priesteres: de Hebreeuwse priesteressen heetten Devorim, Griekse priesteressen werden Melissae genoemd, wat allebei honingbij betekent.

De Honeybees hebben uiteraard een heel eigen kijk op de wereld. Hun wereldje bestaat uit bloemen, nectar en stuifmeel; ook hun gevaren komen we tegen. Ze zijn heel waakzaam en beschermen hun vertrouwde honingraten, de koningin, de larfjes…

De bijen hebben ons veel te bieden. Niet alleen honing, maar ook spirituele honing. In hun aandoenlijke kleine wereld is grote wijsheid te vinden. In de adventkalender leren ze je evenveel over jezelf, als over de Tarot, over de inwijdingsweg en over de bijen. Iedere dag gaat er een nieuw vakje openen, het begint op 1 december.

NB Het artwork en ontwerp is van Rhea Debora, de technologie is ontwikkeld door Michiel. Yeah, we’re a team.

Meer moois

Heb je genoten van de Adventskalender ? Bookmark deze pagina alvast voor volgend jaar!. En er is nog meer gratis moois voor jou, zoals een ontspannende, vitaliserende meditatie.

Fijne adventstijd en moge het licht helder voor je stralen!

Ma’at, godin van het lichte hart

Dit is de Egyptische Ma’at. Brenger van recht en orde. Hoewel ze de strengste is van alle godinnen, is haar symbool een lichte veer.

Vogels besteden veel aandacht aan hun veren. Veren doen het immers pas, als iedere vezel op zijn plek zit. Anders kun je er niet mee vliegen. Die lichtheid, en die preciezie, dat zijn de kenmerken van Ma’at. Zij wordt vaak met vleugels uitgebeeld.

Als Ma’at komt, klopt alles. Daarom is ze een prettige godin, want het leven is vaak een grote puzzel. Het werkt niet altijd vanzelf goed; er ontbreken radertjes of ze lopen spaak’ we missen puzzelstukjes. Vergissingen zijn er in veelvoud.

Maar waarheid is enkelvoud.

Op het moment dat je de puzzelstukjes eindelijk in elkaar hebt, als de veren volledig in elkaar haken, als alle radertjes soepel lopen, dan gebeurt er iets magisch: Ma’at verschijnt.

Herken haar aan het verrukkelijke gevoel van opluchting. Een gevoel van bevrijding. Of het nu gaat om een legpuzzel of om de vraag, wat je kunt doen om je kind verder te helpen. Waarheid lucht op. Het geeft rust als je weet hoe iets werkt. Waarheid maakt vrij. 

Weten hoe het werkt en dan doen wat nodig is, dat schept enorme ruimte.

Het Egyptische dodenboek is Ma’at een van de godinnen die samen de overledene helpt in de andere wereld. Dit boek beschrijft het proces van totale transformatie.

Dat proces treeft op bij overlijden. Maar het proces is exact hetzelfde is bij iedere grote stap naar een nieuwe fase.

Bijvoorbeeld, zoiets als wat we nu collectief doormaken
Het proces dat iedereen beleeft die haar / zijn ware zielepad kiest.
Waar iedereen in komt zodra ze serieus overwegen om hun tempel roeping te volgen
Waar de kosmos nog een schepje bovenop doet wanneer je als priesteres voor je inwijding staat.

Misschien voel jij die overgang nu ook heel duidelijk.

Het dodenboek heet dan ook eigenlijk: Het boek van voortgaan in Licht.

In die overgang van donker naar licht, krijg je vanzelf allerlei vragen.

Die vragen zijn nooit bedoeld geweest als examen om je prestaties en je succes te beoordelen. Het gaat helemaal niet over doelen halen en niet over competitie.  Het gaat er niet om, of je wel acceptabel bent. Die dingen zijn op dat moment volslagen onbelangrijk.

Nee, de vragen gaan over of alles klopt, voor jou! Het enige wat wordt gevraagd is dit : is je hart licht als een veertje? heb je je hartevreugde gevolgd? En heb je daarbij geen dingen gedaan niet niet kloppen? Want ook psychopaten hebben harten die licht zijn als een veertje. Dus die willen ze graag even uitsluiten, in de Egyptische dodenwereld.

Dat is het. Alleen maar dat lichte hart, en achterwege laten wat niet klopt.

Als je vast zit, kun je Ma’at roepen. Als je het gevoel hetb dat de puzzel niet klopt, kun je haar hulp inschakelen. Zij brengt dingen an het licht, die je over het hoofd zag. Zij laat zien wat er zoals onder het tapijt is geveegd. Per ongeluk of expres? Dat maakt voor haar niets uit.

Als we werken met Ma’at is er geen drukte over de duizend dingen die nog moeten. Zijn er geen dwingende eisen die ons opjagen. Geen schaamte, geen schuld.

En zelfs als je het wel verkeerd hebt gedaan,als je niet aan de vragen voldoen, dan is er de laatste vraag,

‘Is er iemand die gelukkig is dat jij hebt geleefd?’

Als je daar bevestigend op kunt antwoorden, strijkt dat vele vergissingen glad. We maken het leven zo ingewikkeld, in ons hoofd. Maar in de grond van de zaak is leven eigenlijk zo eenvoudig.

Wil je meer weten over de Egyptische goden en hun wijsheid ontdekken?

Meld je aan voor de Hartslag van de Tempel en ontvang een gratis Luisterreis cadeau.

Hoe krijg je meer energie?

Winter, moe, weinig energie – wie kent het niet. 
Een deel is het natuurlijke ritme van het jaar, omdat we in de winter meer in de yin-fase komen, onze aandacht naar binnen richten. De actie verplaatst zich naar je binnenwereld.

In de Griekse mythologie heeft Artemis, de Maan, zeven vriendinnen, Zeven Zusters: de Pleiaden. Een van hen is Elektra. Die naam hoeft nauwelijks toelichting! 

Elektra geeft ons toegang tot onze energie. 

Nooit te weinig energie

Spoiler! We hebben nooit te weinig energie – we ZIJN energie! 
Alle informatie en beweging in ons lichaam komt tot stand door elektriciteit: de hartslag, alle zenuwimpulsen en bewegingen. 

Als je nog een laagje dieper gaat, bestaan we uit atomen, die trillen en bewegen: elektromagnetische straling. Die heeft een grappig kenmerk: Als we er geen aandacht aan besteden, bestaat de straling uit golven. Zodra we onze aandacht erop richten, veranderen de golven in deeltjes. Aandacht is een toverstaf.

Ons lichaam is dus een serieuze energiecentrale. Een accu. Een batterij, zo je wilt. Een kerncentrale zelfs.

De godin Elektra leert ons om die energie te vinden, in beweging te brengen, te benutten en op te slaan. 
De aanleg is in iedereen aanwezig, maar net zoals spierkracht kun je jouw energiekracht sterker maken door een beetje training. 

Niet te fanatiek of krampachtig, maar wel doelgericht.
Ontspannen doorgaan in een rustig trainings ritme.
Door steeds te blijven oefenen, bouwen we een steeds grotere veerkracht op, een groter incasseringsvermogen. Je merkt dat je energie toeneemt. En je concentratie. Je leven komt al doende meer in lijn met je diepere wensen en bedoelingen van je hart.

Dat is het hele idee van spiritueel werk. Dat je mooie hartekracht zich goed kan uitdrukken in je leven. Daar word je gelukkig van.

Ons hart heeft impact op de wereld. Dat is logisch: met meer energie kunt je meer manifesteren. Hoe meer je je hart aan bod laat, hoe duidelijker je keuzes zijn. En hoe meer energie je ter beschikking hebt, hoe krachtiger je dat kunt neerzetten.

Daar wordt de wereld mooier van.

Kabbala

In de Kabbala geeft nog wat meer details, hoe je de energie door je lichaam kunt laten stromen. De Kabbala kent het begrip de Levensboom. Tien verschillende sferen – als een soort schakelaars – waarlangs de energie goed kan stromen.

Die sferen vormen het oerpatroon van de natuur. Een hologram. Je vindt ze terug op ieder niveau in de natuur, in de ecologie, in de menselijke interactie, en ook in ons lichaam.

De sferen geven kracht aan de energiecentrale die ons lichaam vormt. Er bestaan oefeningen om de kracht goed te laten doorstromen.

Maar soms worden we als mensen bevangen door angst, of door krampachtigheid. Door woede of verdriet. It happens.

Dat zorgt dan voor kortsluiting en lekkage.

Lekkage kan ok ontstaan als je alles maar van je af laat glijden, door alles maar te laten gaan, los te laten, en jezelf over te leveren aan de bonte stoet aan impulsen die langs komt zeilen (social media, anyone?). 
Dan lekt al je energie weg. En daarna ben je wel moe, maar niet voldaan.

Vitaliseren

Er bestaat een klassieke kabbalistische oefening die je energiesysteem weer lekker laat doorstromen. Dit is de oefening van de Middelste Pilaar. Werkt fantastisch.

Je lichaam als middelste pilaar van de Levensboom, zoals je ziet in de afbeelding.

Ik heb hier een meditatie van gemaakt, met de treurwilg als levensboom. Je kunt deze meditatie gratis bestellen.

Vingerlabyrint

 

Labyrint

Het was een van de eerste dingen die we deden, toen we in Frankrijk woonden en opeens beschikking hadden over een weiland. We maakten een labyrint. Een levensgrote, met de bosmaaier.  Dagenlang liepen we door die bobbelige paadjes, rond en rond en rond en rond.

Ergens omheen draaien is de snelste weg
Eeuwenoud meditatief gebruik: een labyrint lopen. Er gebeurt helemaal niets en tegelijk gebeurt er een heleboel.

Het ontspant en brengt evenwicht. Een labyrint brengt je bij de kern van de zaak. Letterlijk, met heel veel omwegen, want dat is de snelste weg. Wanneer je iets van meerdere kanten bekijkt, kom je veel sneller tot de kern dan wanneer je er in een rechte lijn op af dendert. Het is al duizenden jaren bekend, een van die innerlijke-wereld waarheden die ons steeds ontglippen.

Laagje dieper
Als je sneller wilt, moet je geen gas geven en doordenderen, maar een laagje dieper gaan, achter de sluiers van het alledaagse de verbeelding in duiken. Daar helpt zo’n labyrint geweldig bij. Het doet er niet toe of je het nu met je voeten loopt of met je vingers of met je muis, als je aandacht maar meeloopt.

Omgekeerde wereld
Het labyrint brengt ons in de omgekeerde wereld, de geestige wereld, vol humor.  Religie is meestal bloedserieus, als je ergens om lacht heet het spotten. Maar spiritualiteit staat bol van de humor. Neem nu dit labyrint. De vorm doet denken aan de hersenen, 21e eeuwse hersenen. Hoewel de gladde rij-maar-door lijnen wel een beetje kronkelen, kun je het labyrint in en weer uit zonder een spoor achter te laten, zonder ergens op te botsen, zonder in verwarring te raken. Alles is geregeld. Alles is veilig. Als je maar binnen de lijntjes blijft, komt het allemaal goed – en als je er weer uit bent, is er niets gebeurd.

Of…?

Je weet het pas als je het echt doet. Lezen is een ding; doen is iets totaal anders. Welke avonturen beleefde jij in het labyrint ? Deel het in de reacties.

Hoe maak je een labyrint?

Om je eigen vingerlabyrint te lopen,  kun je gewoon de afbeelding hierboven uitprinten. Nog leuker is het, om  zelf een tekening maken.

Voor als je geen labyrint bij de hand hebt – kijk op gratis moois.

Wasilisa de Schone en haar popje

PopjeIntuitieIDT
In een afgelegen koninkrijk leefde eens een koopman met zijn vrouw en hun enige mooie dochter Wasilisa. Toen het kind acht jaar was, werd de vrouw plotseling heel ziek. Op haar doodsbed riep zij Wasilisa bij zich, gaf haar een pop en zei: “Luister, kindjelief, dit zijn mijn laatste woorden: vergeet ze niet. Ik ga sterven en laat je mijn zegen en dit popje na. Houd het altijd bij je en laat het aan niemand zien. In geval van nood vraag je haar om raad.” Daarna kuste zij haar dochter voor de laatste keer en stierf.

De koopman rouwde lang over zijn vrouw, maar toen besloot hij opnieuw te trouwen en koos een weduwe met twee dochters. Maar voor zijn dochter Wasilisa was het huwelijk niet zo geslaagd, want de nieuwe vrouw was een echte stiefmoeder. Zij liet haar alle zware karweitjes opknappen in de hoop dat zon en wind haar schoonheid teniet zouden doen.

Maar Wasilisa verdroeg alles zonder klagen en werd met de dag mooier, terwijl haar stiefzusters van pure jaloezie steeds magerder en lelijker werden, hoewel zij de hele dag geen hand hoefden uit te steken. Maar de pop troostte Wasilisa en nam haar veel werk uit handen.

Er ging een jaar voorbij en Wasilisa kreeg veel huwelijksaanzoeken. Maar zij mocht niet trouwen vóór haar stiefzusters die door niemand werden gevraagd. Op een keer moest de koopman op reis naar een ander land. Tijdens zijn afwezigheid verhuisde de stiefmoeder naar een huis aan de rand van een groot bos.

In datzelfde bos stond op een open plek een klein huisje, waarin de Baba Jaga woonde. De Baba Jaga liet niemand in haar buurt komen en wie het toch deed, at zij op. Voor de stiefmoeder stond het nieuwe huis precies op de goede plek. Zij stuurde Wasilisa voortdurend het bos in, maar met behulp van haar popje keerde zij steeds behouden terug.

Op een herfstavond gaf de stiefmoeder de drie meisjes werk te doen. De een moest breien, de ander borduren, maar Wasilisa moest spinnen. Daarna deed de stiefmoeder het vuur uit en liet alleen een klein lichtje branden opdat de meisjes bij het werk konden zien.

Zelf ging zij naar bed. De kaars begon lager te branden en een van de stiefdochters nam haar breinaald om de pit schoon te maken; daarbij doofde zij met opzet het vlammetje. Ze had geen licht nodig zei ze. Haar breinaalden glansden helder genoeg, en de ander zei dat haar borduurnaald ook genoeg licht gaf. Maar Wasilisa moest naar de Baba Jaga om vuur te halen en zij duwden haar de kamer uit.

Wasilisa ging naar haar kamer, gaf haar popje te eten zoals altijd en vertelde dat zij het bos in gestuurd was. Het popje zei haar niet bang te zijn en haar mee te nemen, dan zou haar niets overkomen.

Hoewel zij doodsbenauwd was, stopte Wasilisa haar popje in haar zak, sloeg een kruis en ging het bos in. Plotseling reed er een in het wit geklede ruiter op een wit paard voorbij en het werd dag. Een verder reed er een in het rood geklede man voorbij op een rood paard en de zon ging op.

De hele dag en de hele nacht liep Wasilisa door het bos en op de avond van de volgende dag kwam zij bij een hut die omgeven was door een palissade van mensenbeenderen.

Op de palen waren schedels gestoken. De deurposten waren van beenderen, de klink was een mensenarm en het slot was een mond met grijnzende tanden. Wasilisa viel bijna flauw van schrik en bleef als aan de grond genageld staan.

Toen kwam er plotseling een andere ruiter voorbij, dit keer geheel in het zwart en op een zwart paard. Hij sprong af, maakte de deur open en verdween alsof de grond hem opgeslokt, en alles was zo zwart als de nacht.

Even later begonnen de ogen in alle schedels op de palissade te gloeien en op de open plek werd het zo licht als midden op de dag. Wasilisa beefde van angst, maar omdat ze niet wist waar ze heen moest, bleef ze waar ze was.

Toen begonnen de bomen te ruisen en de Baba Jaga verscheen gezeten op een vijzel; zij stuurde met een stamper en veegde haar sporen met een bezem weg. Bij de deur aangekomen, snuffelde ze en schreeuwde dat het naar Russen rook en vroeg wie er was.

“Ik ben het, grootmoedertje. Mijn stiefzusters hebben mij naar u toegestuurd om vuur te halen.”

“Goed,” zei de Baba Jaga, “ik ken jou. Blijf jij maar een poosje bij mij, dan krijg je vuur.”

Dus gingen ze samen naar binnen. De Baba Jaga ging liggen en gaf Wasilisa opdracht haar alles wat in de oven was te eten te brengen.

Er was genoeg voor tien, maar de Baba Jaga at alles op en liet voor Wasilisa alleen een korst brood en wat soep over.

Daarna zei ze: “Als ik morgen wegga, moet je het erf vegen, de hut schoonmaken, het middageten koken, de was doen en dan in de graanschuur de beschimmelde aren van de goede aren scheiden. Alles moet klaar zijn als ik thuiskom, want anders eet ik je op.”

Toen de Baba Jaga in haar bed begon te snurken, gaf Wasilisa haar eten aan het popje en vertelde haar van het vele werk dat zij moest doen. Maar het popje zei haar dat ze het eten zelf moest opeten en niet bang moest zijn, maar haar gebeden zeggen en naar bed gaan; want de ochtend was wijzer dan de avond.

Vroeg in de morgen toen Wasilisa wakker werd en de ogen in de schedels juist doofden, reed de witte ruiter voorbij en het werd licht. De Baba Jaga floot en vijzel, stamper en bezem verschenen; de rode ruiter reed voorbij en de zon ging op. Toen de Baba Jaga weg was, bleef Wasilisa alleen achter en stond bedrukt te peinzen over welk werk ze het eerste zou doen.

Maar alles was al gedaan en het popje zocht net de laatste beschimmelde aren eruit. Wasilisa noemde haar popje haar redster, zei haar dat zij haar voor een grote ramp had behoed en het popje vertelde haar dat ze nu alleen nog maar eten hoefde klaar te maken.

Toen het avond begon te worden dekte Wasilisa de tafel en wachtte, en toen de Baba Jaga kwam en vroeg of alles was gedaan, zei Wasilisa: “Kijkt u zelf maar, grootmoedertje.” De Baba Jaga controleerde overal en ontstak in woede, omdat ze geen fouten kon vinden, maar ze zei alleen maar: “Ja, het is goed.”

Toen riep ze haar trouwe dienaren die haar graan moesten malen. Daarop verschenen drie paar handen die begonnen te malen. De Baba Jaga schranste net zoveel als de voorgaande dag en zei toen tegen Wasilisa dat zij de volgende dag hetzelfde werk moest doen, maar bovendien het maanzaad op de graanzolder lezen en het afval netjes wegruimen.

Opnieuw vroeg Wasilisa haar popje, dat haar zei net zo te doen als de avond tevoren; en de volgende dag deed het popje alles wat Wasilisa had moeten doen. Toen de oude vrouw thuiskwam controleerde zij alles en riep daarna haar trouwe dienaren weer. De drie paar handen verschenen weer, haalden het maanzaad en persten de olie eruit.

Terwijl de Baba Jaga at, stond Wasilisa stil naast haar.

“Wat sta je daar te staren met je mond dicht?” vroeg de Baba Jaga. “Heb je je tong verloren?”

“Als u het goed vindt, zou ik u een paar vragen willen stellen,” zei Wasilisa.

“Vraag maar,” zei de Baba Jaga, “maar denk erom dat niet alle vragen wijs zijn. Veel kennis maakt vroeg oud.”

Wasilisa vertelde haar dat zij alleen iets over de ruiters wilde vragen. De Baba Jaga zei haar dat de eerste haar dag was, de rode haar zon en de zwarte haar nacht. Daarna dacht Wasilisa aan de drie paar handen, maar durfde niet verder te vragen en hield haar mond.

“Waarom vraag je verder niets?” zei de Baba Jaga.

“Zo is het genoeg,” zei Wasilisa. “U heeft zelf gezegd, grootmoedertje, dat te veel kennis oud maakt.”

Daarop zei de Baba Jaga dat zij er verstandig aan had gedaan alleen te vragen naar wat zij buiten voor de hut had gezien, maar dat zij zelf nu ook haar vragen had. En zij vroeg hoe Wasilisa met al haar werk was klaargekomen.

Wasilisa vertelde dat de zegen van haar moeder haar had geholpen.

“Dat is het dus,” zei de Baba Jaga. “Maak dan maar dat je wegkomt, ik heb in mijn huis geen zegen nodig,” en zij duwde Wasilisa de kamer uit en door de deur naar buiten, pakte een schedel met zijn gloeiende ogen van de palissade, stak hem op een stok en gaf hem Wasilisa.

“Hier is het vuur voor je stiefzusters,” zei ze, “neem maar mee naar huis.”

 

Wasilisa maakte dat ze wegkwam. Op de avond van de volgende dag kwam ze thuis en wilde de schedel weggooien. Maar er kwam een stem uit vandaan, die zei dat zij dat niet moest doen, maar hem bij haar stiefmoeder moest brengen. En omdat Wasilisa geen licht in het huis zag, deed zij dat ook.

Voor het eerst werd zij vriendelijk door haar stiefmoeder en stiefzusters ontvangen. Zij vertelden haar dat zij sinds haar vertrek geen vuur meer hadden gehad, dat ze geen vuur hadden kunnen maken en dat het van de buren geleende vuur was uitgegaan toen het de kamer in was gebracht.

“Misschien gaat jouw vuur niet uit,” zei de stiefmoeder.

Zij nam de schedel mee de woonkamer in, maar de gloeiende ogen van de schedel staarden haar en haar dochters voortdurend in de ogen, tot diep in de ziel. Zij probeerden zich te verstoppen, maar de ogen volgden hen overal en toen de ochtend kwam, waren zij tot as verbrand.

Toen het licht werd, begroef Wasilisa de schedel, deed de deur op slot, ging naar de stad en vroeg een eenzame vrouw haar tot de thuiskomst van haar vader bij zich te laten wonen; en daar wachtte zij.

Maar op een dag zei ze tegen de oude vrouw dat ze zich verveelde zonder werk en vroeg haar vlas te kopen om te spinnen. Maar het garen dat Wasilisa spon was zo dun en fijn als een zilveren haar, en geen weefstoel paste erbij. Dus vroeg Wasilisa haar popje om raad.

In een enkele nacht zorgde het popje voor een prachtige weefstoel, en toen in het voorjaar het linnen geweven was, gaf Wasilisa het aan de oude vrouw en vertelde haar dat zij het moest verkopen en het geld mocht houden. Maar de oude vrouw bracht het naar koninklijk paleis; de koning zag het en vroeg hoeveel zij ervoor wilde hebben. Zij zei dat niemand een dergelijk weefstuk kon betalen en dat zij het als geschenk had meegebracht.

De koning bedankte haar, gaf haar geschenken en liet haar weer gaan. Maar er was geen kleermaker te vinden die van het linnen hemden kon naaien, zo fijn was het. Toen liet de koning de oude vrouw bij zich roepen en zei haar, dat als zij de stof gesponnen en geweven had, zij ook de hemden moest kunnen naaien. Daarop vertelde zij hem dat een mooi jong meisje de stof had gemaakt. De koning zei dat het meisje de hemden moest naaien.

Dus naaide Wasilisa een dozijn van de allermooiste hemden en de oude vrouw bracht ze naar de koning. Ondertussen waste Wasilisa zich, kamde zich, trok haar mooiste kleren aan en ging voor het raam zitten wachten.

Tenslotte kwam er een dienaar van het hof en zei dat zijne majesteit de kunstenares die de hemden had gemaakt wilde ontmoeten, zodat hij haar eigenhandig kon belonen. Wasilisa volgde de dienaar naar het paleis en verscheen voor de koning. Toen hij de mooie Wasilisa zag, werd hij verliefd op haar en zei dat hij haar niet meer wilde laten gaan. Zij moest zijn vrouw worden.

Hij pakte haar bij de handen en zette haar op de troon en diezelfde dag nog werd het huwelijk gesloten. Spoedig daarna kwam de vader van Wasilisa van zijn reizen naar huis, verheugde zich over haar geluk en mocht van nu af in het paleis bij zijn dochter blijven wonen. Wasilisa nam ook de oude vrouw bij zich in het paleis. En het popje hield zij tot aan het eind van haar leven bij zich.

Samenvatting

Het Russische volkssprookje over de mooie Wasilisa. Wasilisa verliest op jonge leeftijd haar moeder, die haar een popje achterlaat. Vader hertrouwt met een boze stiefmoeder die haar twee eigen dochters voortrekt. Na een poosje stuurt ze Wasilisa zelfs voor een boodschap naar de heks Baba Jaga, in de hoop dat ze nooit meer terugkomt. Baba Jaga laat het meisje als tegenprestatie allerlei opdrachten uitvoeren, en het popje van haar moeder helpt haar daarbij. Wasilisa keert uiteindelijk met de gloeiende kooltjes terug, en die branden zo heet dat stiefmoeder en zus de volgende dag tot as zijn vergaan.

Het is een inwijdingsverhaal,  uniek in die zin dat alle belangrijke personages vrouwen zijn.

Meer magie en symboliek

Wil je meer weten over symboliek en magie, kijk dan bij gratis moois  of bij de producten van de Tempel! Het verhaal van Wasilisa komt  terug in de Wintertempel 2020.

Bron: verhalen almanak